Gedragsbeinvloeding Blog Large

Gedragsverandering, Gedragsbeïnvloeding

Alles wat je wilt weten over gedragsbeïnvloeding: psychologie, interventies, voorbeelden en toepassingen

Hoe beweeg je jongeren om minder alcohol te drinken? Hoe stimuleer je milieubewust gedrag zoals recycling? Wat is een effectieve manier om agressie in het OV tegen te gaan?

Al deze kwesties vragen om een vorm van gedragsbeïnvloeding.

 

Gedragsbeïnvloeding is de toepassing van psychologische principes achter het menselijk gedrag tot interventies op het niveau van de maatschappij, organisatie of individu. Het is daarmee een geheel andere route dan het afdwingen van gedrag middels wetgeving of economische maatregelen. Denk aan het ontmoedigen van alcohol niet door verbod (wetgeving) of hogere accijnzen (economische sancties), maar door de aandacht naar alcoholvrije alternatieven te nudgen middels 0% displays en populaire sociale trends als dry january. 

De reden dat overheden en organisaties steeds vaker hun voordeel doen met gedragsbeïnvloeding en nudging is simpel; Klassieke wettelijke en economische maatregelen kunnen weliswaar effectief zijn, maar veranderen meestal niets aan de feitelijke oorzaken van het gedrag. 

Wetenschappelijk gebaseerde gedragsbeïnvloeding is er daarentegen op gericht om de feitelijke drijfveren van het gedrag te ontleden en deze met chirurgische precisie aan te spreken middels interventies. In dit overzichtsartikel lichten we gedragsbeïnvloeding toe met psychologische voorbeelden, toepassingsgebieden, een praktisch stappenplan en ethische kwesties.

1. Vormen van gedragsbeïnvloeding

De grootste reden dat veel vormen van gedragsbeïnvloeding de plank misslaan is doordat ze geheel voorbijgaan aan de werkelijke oorzaak van het gedrag. In de praktijk zien we dit het vaakst misgaan wanneer overheden emotioneel- of gewoontegedreven gedrag willen veranderen met een informatieve boodschap. 

“You can’t reason someone out of something he wasn’t reasoned into.” – Mark Twain

Het is een aantrekkelijke gedachte: verschaf mensen meer informatie over de gevaren van appen achter het stuur – maak het vooral lekker beeldend – en ze zullen minder snel naar de telefoon grijpen. De werkelijkheid is helaas niet zo simpel. Zoals veel van onze dagelijkse gedragingen, is appen achter het stuur een ingesleten gewoonte die door tal van cognitieve en emotionele factoren in stand wordt gehouden; gebrek aan rationele informatie is niet één van deze factoren. Enkel wanneer een interventie de werkelijke psychologische drijfveren achter de gedraging ‘appen achter het stuur’ aanspreekt, kan er gedragsverandering plaatsvinden.

Om gedrag effectief te beïnvloeden, is het essentieel om te begrijpen waar dat gedrag vandaan komt. Globaal onderscheiden we hierin twee categorieën: bewust & gepland gedrag (1.1.) versus onbewust & gewoontegedreven gedrag (1.2.).

Gedrag wordt enkel bewust aangestuurd wanneer wij gemotiveerd zijn én de gelegenheid hebben om cognitieve inspanning te verrichten. In veel gevallen komt ons gedrag echter automatisch tot stand doordat we geen motivatie hebben erbij stil te staan (we pakken het merk dat we altijd kopen, want alternatieve producten inspecteren is te veel moeite) of wanneer we simpelweg de gelegenheid niet hebben (we gooien afval op straat omdat er onvoldoende prullenbakken zijn). Onderstaand model weergeeft de verschillende oorzaken van ons gedrag.

psychologisch model oorzaken gedrag

1.1. Bewust & Gepland gedrag

Hoewel de rol van het onbewuste de afgelopen twintig jaar een grote vlucht heeft genomen in de gedragswetenschappen, blijft een gedeelte van onze gedragingen wel degelijk bewust en gepland. Denk aan de maatregelen die we treffen voor de brandveiligheid in ons huis. Ook gedragingen die een sterke onbewuste component kennen (zoals roken), bevatten tevens een bewustere component die de onbewuste aantrekkingskracht in stand houdt (het al dan niet plannen van tabaksaankopen op weg naar de supermarkt, of de intentie om wel of niet te roken bij een aankomende sociale gelegenheid).

Een veelgebruikt model in de sociale psychologie voor het beïnvloeden van bewust en gepland gedrag is The Theory of Planned Behavior. Deze veronderstelt dat gedrag wordt gedreven door intentie, die voortkomt uit de attitude naar het gedrag (wat vind ik van roken?), de veronderstelde mening van je sociale omgeving (wat vinden anderen ervan als ik rook?) en het gevoel van controle over het gedrag in kwestie (heb ik controle over mijn rookgedrag?). Effectieve gedragsinterventies onderzoeken in welke factor een probleem schuilgaat en hoe deze aangesproken kan worden.

Voorbeeld van gedragsbeïnvloeding van bewust & gepland gedrag

Waarom nemen mensen geen maatregelen in het kader van de brandveiligheid van hun huis? Vanuit de drivers van gepland gedrag uit de Theory of Planned Behavior zijn verschillende problemen en daaruit voortvloeiende interventies denkbaar:

Attitude

Probleem: Mensen denken dat brandveiligheidsmaatregelen ineffectief zijn wanneer er daadwerkelijk brand uitbreekt. 

Oplossing: Rationele informatieve appeals (hoeveel levens er jaarlijks door worden gered) of emotionele appeals op basis van psychologische principes (een campagne die inspeelt op verantwoordelijkheidsgevoel naar de kinderen).

Perceptie van sociale norm

Probleem: Mensen hebben het gevoel dat ze overdreven bezig zijn wanneer ze brandveiligheidsmaatregelen nemen.

Oplossing: Activeren van sociale norm dat brandveiligheidsmaatregelen normaal zijn om te nemen (campagne die het % van huizen in de wijk dat brandveiligheidsmaatregelen heeft getroffen inzichtelijk maakt).

Perceptie van uitvoerbaarheid gedrag

Probleem: mensen weten niet welke maatregelen ze moeten nemen of hebben het gevoel dat het nemen van brandveiligheidsmaatregelen lastig is of financieel buiten hun bereik ligt. 

Oplossing: Maak het gewenste gedrag zo laagdrempelig mogelijk (huis-aan-huis campagne waarbij men direct een “Binnen 1 uur brandveilig” pakket kan aanschaffen met gratis installatie).

Binnen een gedragsinterventietraject is het verstandig de verschillende mogelijke determinanten eerst te testen op effectiviteit (zie sectie 2:  Effectieve gedragsbeïnvloeding in 5 stappen: het PATHS-model).

1.2. Onbewust & Gewoontegedreven gedrag

Veel van de gedragingen die gedragsbeïnvloedingscampagnes beogen te veranderen verlopen grotendeels onbewust. Door de van oudsherre rationele en informatieve insteek van (overheids)interventies is de effectiviteit ervan buitengewoon laag. 

De gedrags- en neurowetenschappen hebben de afgelopen twintig jaar steeds meer in kaart gebracht over de onbewuste drijfveren die schuilgaan achter ons gedrag. We begrijpen inmiddels waarom rationele maatregelen als gezondheidswaarschuwingen of een suikertaks nauwelijks invloed heeft op wat we in ons winkelmandje leggen. Maar wat dan wel?

Ons onbewuste gedrag wordt gedreven door gewoonte, actieve motivatie, aandacht en barrière tot actie.

  • Gewoonte. Om zo zuinig mogelijk om te gaan met energie, is ons brein sterk geëvolueerd om eerdere gedragingen en keuzes automatisch te herhalen. Voorbeeld: iemand koopt altijd wat lekkers in het rondje door de supermarkt.
  • Actieve motivatie. We handelen binnen een beslissing veelal vanuit één dominante motivatie. Heeft men voor het snoepschap de mindset om te genieten of om gezond te leven? Voorbeeld: een hongerig iemand heeft sterkere motivatie aan calorierijk eten, wat aanzienlijk de kans op ongezonde aankopen vergroot. 
  • Aandacht. In sterke mate bepaalt dat wat we zien wat we vervolgens voor actie ondernemen. Subtiele nudging in onze aandacht kan daarmee een groot direct verschil maken in gedrag. Voorbeeld: de meest aantrekkelijke producten en merken bevinden zich op pakhoogte in het schap (ons centrale focuspunt).
  • Barrière tot actie. Hoe makkelijker een actie is om uit te voeren, des te groter de kans dat we dit ook doen. Voorbeeld: de meest aanlokkelijke impulsaankopen staan bij de kassa 

Voorbeeld van gedragsbeïnvloeding onbewust gedrag

Hoe kunnen we in een supermarktomgeving het gedrag van shoppers beïnvloeden om meer gezonde en minder ongezonde opties aan te schaffen?

Gewoonte

Probleem: Mensen hebben de ingesleten gewoonte om bij elk supermarktbezoek op zijn minst een paar ongezonde producten aan te schaffen. Gewoontes zijn van alle onbewuste factoren het lastigst om te buigen, maar bieden wel de meest langdurig positieve effecten.

Oplossing: Simpelweg het tracken van positieve acties leidt al tot het ontstaan van nieuwe gewoonten door de kracht van het consistentieprincipe. Health apps die je in staat stellen een bepaalde positieve gedraging als ‘streak’ bij te houden (aantal supermarktbezoeken zonder ongezonde keuzes) verankeren de nieuwe gewoonte in het brein. In-store kan dit worden versterkt door cues de nieuwe gewoonte extra positiviteit geven (zoals een duimpje omhoog bij gezonde keuzes).

Actieve motivatie

Probleem: Wanneer men (mentaal uitgeblust) in de winkel rondloopt heeft men vaak de motivatie om te willen genieten. Evolutionair gezien zijn zoete, zoute, vette en calorierijke producten aantrekkelijk voor ons brein. De verleidelijke producten verergeren dit effect, doordat ze deze motivatie inherent oproepen. 

Oplossing: Omgevingscues kunnen een andere motivatie actief maken. Zo blijken posters van groente de keuze onder hongerige shoppers vaker naar gezonde producten uit te laten vallen. Ook een poster met fitte (maar niet buitensporig afgetrainde) mensen blijkt de motivatie van gezondheid actief te maken. 

Aandacht

Probleem: Ongezonde producten roepen door hun aantrekkingskracht op ons brein buitensporig veel aandacht naar zich toe. De vaak gunstige locaties van deze categorieën in de supermarkt doen hier nog een schepje bovenop. 

Oplossing: Puur het veranderen van de positie van de primaire aandachtspunten in de omgeving kan de aandacht en daarmee het keuzeproces sterk beïnvloeden. Zo blijkt het verplaatsen van ongezonde producten naar lagere schappen (zodat men moet bukken om deze te pakken) al genoeg om significant vaker de handen er vanaf te houden.

Barrière tot actie

Probleem: Het ongewenste gedrag is dermate laagdrempelig en makkelijk uit te voeren dat het brein direct overgaat tot deze actie. Dit is het geval bij impulsaankopen bij de kassa, die de actie letterlijk binnen handbereik brengen.

Oplossing: Interventies die een extra hobbeltje in het proces aanbrengen zijn effectief om de kortdurend sterke emotie die leidt tot een ongezonde impulsaankoop uit te doven. Dit is het geval wanneer de impulsartikelen achter de kassamedewerker worden uitgestald, zodat de klant ernaar moet vragen. Soortgelijke interventies hebben al plaatsgevonden bij alcohol en tabakswaren.

2. Gedragswetenschappen als bron voor interventies 

Overheden en organisaties putten in steeds grotere mate uit de kennis van de gedragswetenschappen om de effectiviteit van hun interventies te verhogen. Effectieve gedragsbeïnvloeding hangt aan een zijden draadje; wanneer je handelt op goed geluk is de effectiviteit waarschijnlijk 0. Wanneer je echter de gedragswetenschappen inzet om de werkelijke drivers van het te beïnvloeden gedrag in kaart te brengen en hierop een interventie af te stemmen, neemt de kans op succesvolle beïnvloeding van gedrag ontegenzeggelijk toe. 

Menselijk gedrag is ongekend complex. Effectieve gedragsbeïnvloeding bevindt zich dan ook op het snijvlak van diverse disciplines binnen de gedragswetenschappen: de sociale- en organisatiepsychologie, cognitieve psychologie en neurowetenschappen. 

2.1. Sociale psychologie (en afgeleiden: organisatiepsychologie, consumentenpsychologie en positieve psychologie)

De sociale psychologie houdt zich bezig met processen die schuilgaan achter het alledaagse menselijke gedrag. Sociaal psychologen bestuderen de gedachten, emoties en het gedrag van mensen binnen sociale contexten, zoals groepen, relaties en henzelf. 

Veel toepassingsgebieden van gedragsbeïnvloeding kennen een sterke sociale component. Van processen op groepsniveau als discriminatie en milieubewust leven, tot processen op niveau van het individu zoals motivatie, gezondheidsbevordering en zelfbeeld. 

Afgeleiden van de sociale psychologie zijn de meer toegepaste vormen onder de naam: 

  • De organisatiepsychologie. Over het functioneren van organisaties, teams en de individuen daarbinnen.
  • Consumentenpsychologie. Over de psychologische drivers achter koopgedrag.
  • Positieve psychologie. Over de drivers van positieve psychologische uitkomsten als levensgeluk, (top)prestaties en karaktereigenschappen.

2.2. Cognitieve psychologie

Cognitieve psychologie is de studie naar mentale processen en functies zoals aandacht, perceptie, geheugen, taal, redeneren en problemen oplossen. Cognitief psychologen bestuderen het proces van hoe informatie binnenkomt, verwerkt wordt en uiteindelijk leidt tot gedrag.

Kennis van de cognitieve psychologie is onlosmakelijk verbonden met effectieve gedragsinterventies. In het bijzonder inzicht in de imperfecties in ons alledaagse denken is essentieel. Ons brein volgt automatisch honderden verschillende heuristieken en biases: dit zijn mentale vuistregels die het makkelijks maken om de overload aan informatie die ons dagelijks bestookt het hoofd te bieden. 

Handig, maar tegelijkertijd zijn tal van problemen het gevolg van deze heuristieken en biases. Cognitieve biases vormen de basis van grote maatschappelijke problemen, zoals discriminatie die voortkomt uit biases zoals moral licensing, de affinity bias en confirmation bias. Maar ook gezondheidskwesties zoals vrijen zonder condoom onder jongeren blijken samen te hangen met de overconfidence bias (het gevoel van “dit overkomt mij niet”). 

Cognitieve psychologen kennen de honderden bias die onze kijk op de wereld vertekenen. Deze kennis is onmisbaar bij het doorgronden van de werkelijke oorzaken van ons gedrag en doeltreffende interventies die echt een verschil maken.

2.3. Neurowetenschappen: Social Neuroscience en Consumer Neuroscience

De afgelopen twintig jaar heeft er een revolutie plaatsgevonden in het toepassingsgebied van de neurowetenschappen. Waar neuroimaging methoden zich van origine vooral op medische toepassingen richtte, worden ze steeds vaker gebruikt om sociale processen dieper te begrijpen en effectiever te beïnvloeden.

Neurowetenschappelijke methoden als EEG, fMRI en Biometrics lenen zich bij uitstek om op meer objectieve wijze vast te stellen hoe het brein van een individu op een stimulus reageert. Hiermee ondervangt het een aantal cruciale tekortkomingen van traditioneel onderzoek als surveys en interviews. De correctheid van deze methoden gaan soms zwaar gebukt onder sociale wenselijkheid, overrationalisatie en het feit dat we ons simpelweg maar van een fractie van onze neurale processen daadwerkelijk bewust zijn. 

2.3.1. Consumer Neuroscience

De neurowetenschappelijke benadering is op de eerste plaats uiterst waardevol gebleken voor consumentenonderzoek, ook wel bekend als Consumer Neuroscience. Doordat koopgedrag in grote mate een low involvement en automatisch proces is, biedt neuro uitkomst om de effectiviteit van typische marketingstimuli als reclames, productverpakkingen, prijzen, winkels en websites objectief te meten. Deze toegepaste vorm van Consumer Neuroscience is omgedoopt tot neuromarketing. Unravel’s onderzoeksdivisie Unravel Research maakt gebruik van de laatste technieken in de neurowetenschappen om de onbewuste respons van de consument te meten.

2.3.2. Social Neuroscience

In de sociale context staat de neurowetenschappelijke benadering van menselijk gedrag bekend als Social Neuroscience. 

Enerzijds leidt de neurowetenschappelijke studie naar sociaal gedrag tot een dieper begrip van de oorsprong van zowel sociale mijlpalen van het menselijk bestaan (empathie, liefde, begrip, altruïsme en samenwerken in groepen) als de sociale problemen in de vorm van vooroordelen en stereotyperingen. 

Anderzijds bieden neuroimaging methoden als EEG, fMRI en IAT uitkomst bij het testen van interventies. In de bijzonder de Impliciete Associatie Test (IAT) is een krachtig meetinstrument om de effectiviteit van een interventie op onbewuste vooroordelen te kunnen toetsen. 

gedragsbeinvloeding psychologie 

3. Effectieve gedragsbeïnvloeding in 5 stappen: het PATHS-model

Het PATHS model vormt een internationaal veel gebruikt stappenplan voor effectieve sociaal psychologische interventies. Het model is oorspronkelijk ontwikkeld door Prof. Dr. Peter Veen, die hiermee de toepassing van sociale psychologie in maatschappelijke interventies gestalte gaf, en vormt vandaag de dag het fundament van menig succesvolle interventie.

Het PATHS model doorloopt een vijftal fases om tot effectieve interventies te komen: probleem (problem), analyse (analysis), test, hulp (help) en succes (success). 

3.1. Problem

Een haarscherpe probleemanalyse staat aan de wieg van een geslaagde interventie. Hoewel het gemakkelijk is deze stap over te slaan door te veronderstellen dat het probleem evident is, is het voor de selectie van relevante psychologische drivers cruciaal de vele gezichten van het probleem stapsgewijs in kaart te brengen:

  • Wat is het probleem? (voorbeeld)
  • Waarom is het een probleem?
  • Voor wie is het een probleem?
  • Wat zijn potentiële oorzaken van het probleem?
  • Welke belangengroepen zijn relevant?
  • Is het een psychologisch probleem?

3.2. Analysis

In de analyse-fase gebruik je wetenschappelijke literatuur, interviews en aanvullend onderzoek om de psychologische krachten achter het probleem in kaart te brengen. Gedurende deze fase is dit nog verkennend van aard. Pas later werk je toe naar een shortlist van meest relevante gedragsdeterminanten. Hierbij doorloop je de volgende stappen:

  • Specificeer de uitkomstvariabele die je wilt beïnvloeden. Dit kan een gedrag, attitude of emotie zijn. Belangrijk is dat de uitkomstvariabele meetbaar is, idealiter in continue (in plaats van dichotome) vorm. 
  • Zet de mogelijke oorzaken van het probleem op een rij.
  • Voer verkennende interviews uit om mogelijke oorzaken te verkennen.
  • Doorzoek de literatuur naar mogelijke oorzaken. Dit kan zowel op basis van het onderwerp van het probleem, een achterliggend psychologisch concept of een algemene psychologische theorie. 
  • Scherp je overzicht aan door dubbele of overlappende oorzaken samen te voegen en een kritisch oog te werpen op de relevantie en validiteit van elke oorzaak voor dit specifieke onderwerp.

3.3. Test

Op basis van het overzicht aan mogelijke oorzaken uit de vorige stap maken we een procesmodel. Hierbij modelleer je de relaties tussen de oorzaken met de uitkomstvariabele en onderling. De bestaande literatuur in de gedragswetenschappen bieden vaak onderbouwing aan de meest waarschijnlijke relaties. In het bijzonder meta-analyses (studies die de resultaten van tientallen onderzoeken gecombineerd analyseren) helpen je de kaf van het koren te scheiden. 

Soms is het noodzakelijk aanvullend onderzoek te verrichten naar een relatie tussen een bepaalde oorzaak met de uitkomstvariabele. Dit is het geval wanneer dit specifieke probleem of psychologische proces onderbelicht is in de bestaande literatuur.

3.4. Help

Nu we de dominante psychologische oorzaken achter het te beïnvloeden gedrag in kaart hebben gebracht, is het zaak deze door te vertalen naar een effectieve interventie. Zelfs wanneer een interventie de oorzaak van een probleem perfect aanspreekt, kan deze nog spaak lopen wanneer het kanaal, de methode of strategie niet doordacht zijn geselecteerd.

  • Kanaal: in welke vorm vindt de interventie plaats? Kanalen kunnen vele vormen aannemen, van reclamecommunicatie tot wijzigingen in de daadwerkelijke locatie waar het te beïnvloeden gedrag zich voltrekt. 
  • Methode: op welk psychologische mechanisme speel je in om het gedrag om te buigen? 
  • Strategie: de wijze waarop je het psychologische principe achter het gedrag aanspreekt en tastbaar maakt. De uitvoer is allesbepalend voor de zichtbaarheid, mate van verwerking en authenticiteit van de interventie. 

Voordat de interventie daadwerkelijk ‘live’ gaat, is het vaak zinvol deze te pre-testen middels psychologisch of neurowetenschappelijk onderzoek. In deze pre-test meet je of de interventie inderdaad de gewenste reactie oplevert en krijg je inzicht in de laatste verbeterkansen.

3.5. Success

Een goed uitgedachte interventie verdient het om doorgemeten te worden op effectiviteit. De succesfase beslaat het tijdspad ná de uitrol van de interventie, waarbij je periodiek doormeet in hoeverre de uitkomstvariabele verandert. 

De optimale doormeting van succes is afhankelijk van de uitkomstvariabele in kwestie. Sommige uitkomstvariabelen kunnen uitstekend op gedragsniveau worden uitgevraagd in de markt, zoals een survey naar het rookgedrag onder jongeren; anderen vereisen een meer indirecte onderzoeksmethode, zoals gedragsobservatie bij een interventie tegen door rood licht rijden. 

Vaak blijft het niet bij één succesmeting. Om te analyseren in hoeverre de positieve effecten van een interventie langdurig stand houden, is het raadzaam een effectonderzoek drie maanden, zes maanden en een jaar na de interventieperiode uit te voeren.

interventies gedragsbeinvloeding path model

4. Veel voorkomende toepassingsgebieden voor gedragsbeïnvloeding

4.1. Communicatie

  • Overtuigen
  • Informeren
  • Opvolgen van regels en richtlijnen

4.2. Prosociaal gedrag

  • Hulpvaardigheid
  • Donorschap
  • Empathie
  • Harmonieuze samenleving en tegengaan agressie
  • Discriminatie tegengaan

5. Veiligheid

  • Verkeer
  • Juridisch (ooggetuigenverklaring)
  • Veilig werken
  • Goed opvolgen van instructies (bijvoorbeeld van medicatie)

5.1. Milieu

  • Recycling
  • Consumptie verminderen
  • Vervuiling tegengaan

5.2. Individueel functioneren

  • Motivatie verhogen
  • Skills en kennis
  • Samenwerken met anderen

5.3. Gezondheid

  • Lichaamsbeweging
  • Consumentengedrag
  • Gebruik alcohol, tabak en drugs verminderen
  • Veilige seks

6. De ethiek van gedragsbeïnvloeding

Ethische vraagstukken zijn onlosmakelijk verbonden met de inzet van psychologie bij gedragsinterventies. We onderscheiden hierbij twee effecten: sociaal psychologische interventies kunnen een ethischer alternatief vormen voor ‘hardere’ oplossing zoals wetgeving of verbod (5.1) maar kan onder bepaalde omstandigheden ook ethische bezwaren oproepen (5.2).

6.1. Sociaal psychologische interventies als alternatief voor wetgeving

Aan de positieve kant van het spectrum vormen sociaal psychologische gedragsinterventies een vriendelijker alternatief ten opzichte van ‘hardere’ oplossingen zoals verbod of meer ingrijpende maatregelen. 

Bijvoorbeeld: een verkeerssituatie waarin veel mensen te hard rijden blijkt te kunnen worden opgelost door een nudge waarbij een klein aantal meter van het wegdek van een andere coating wordt voorzien. Het verschil in ondergrond doet bestuurders automatisch afremmen. Hiermee vormt de gedragsinterventie een meer eenvoudige en voordelige oplossing dan ingrijpende maatregelen als wijziging in wetgeving (snelheidslimieten drastisch aanpassen op de weg) of grootschalige kostbare wijzigingen in de omgeving (rotonde bouwen).

De belangrijkste voordelen van psychologische beïnvloeding ten opzichte van wettelijke of economische maatregelen:

  • De burger behoudt meer vrijheid en autonomie 
  • Minder kostbaar
  • In veel gevallen een langduriger positiever effect ten opzichte van economische maatregelen (bijvoorbeeld: het dempende effect van een accijnsverhoging op alcoholconsumptie is kortdurend. Psychologische interventies met campagnes of nudging in de winkel behouden hun effectiviteit)

6.2. Sociaal psychologische interventies als alternatief voor wetgeving

Psychologische gedragsbeïnvloeding roept ook zelf ethische vraagstukken op, met name wanneer de interventie betrekking heeft op de onbewuste invloeden op gedrag hebben. In hoeverre is het moreel te verantwoorden dat subtiele cues in de omgeving of in communicatie, die veelal onopgemerkt ons gedrag sturen, worden gebruikt om ‘gewenst’ gedrag te stimuleren?

Een beïnvloedingstechniek is niet ‘inherent’ onethisch. Ethische kwesties ontstaan pas wanneer:

  • De techniek met onjuiste informatie wordt ingezet. Bijvoorbeeld: een campagne gericht op het verhogen van orgaandonoren zet het social proof principe in (mensen volgen automatisch het gedrag van anderen), maar vermeldt daarbij een onjuist hoog percentage van het aantal mensen dat reeds donor is.
  • De techniek wordt ingezet ten behoeve van een doel dat niet in het belang is van het individu of de samenleving als geheel. Bijvoorbeeld: een campagne gericht op attitudeverandering ten gunste van een politieke partij. 

Bureaus en professionals gespecialiseerd in gedragsinterventies dienen een kritisch oog te werpen op deze beide twee vragen bij elke interventie die ze gestalte geven.

Transparantie

In het geval van gedragsbeïnvloeding vanuit de Rijksoverheid geldt een aantal aanvullende ethische regels:

  • De Rijksoverheid dient zichtbaar te zijn als zender van de communicatie.
  • De overheid moet altijd voldoende openheid geven over de inzet van gedragsinterventies, zelfs als de effectiviteit daardoor zou afnemen.

PS Vond je dit blog waardevol en wil je het niet missen als we een nieuwe publiceren?
Schrijf je dan in voor onze updates, je bent met ruim 3000 anderen in goed gezelschap.